Brieven van lid COC-Projectgroep Leeftijdsgrenzen

From Brongersma
Jump to navigation Jump to search

Beste Annelies,

Enkele maanden geleden hebben we contact gehad over de affaire Intermale (inbeslagname van veronderstelde kinderporno), waarover Peter Lankhorst uiteindelijk vragen heeft gesteld. Gezien de ontwikkelingen daarna (de richtlijnen van de PG's en de vervolging van Don Mader en Ruud Hollenkamp) zou ik het bijzonder op prijs als jullie een aantal vragen over de uiterst dubieuze richtlijnen van de PG's in het voorlopig verslag over de Justitie-begroting zouden willen verwerken. Hierbij voeg ik een aantal voorstellen. Ik hoop dat Justitie het hiermee goed moeilijk kan worden gemaakt. In elk geval zitten wij (d.w.z. het COC) verlegen om de antwoorden. Je begrijpt dat de kwestie ons behoorlijk hoog zit!

Ik heb hierover ook contact gehad met Frank van der Meijden en heb hem dit lijstje ook toegezonden. Misschien kunnen PPR en PSP de vragen verdelen of hen gezamenlijk stellen?

Alvast hartelijk dank en vriendelijke groeten,
Jan Schuijer
P.S. hierbij voor de zekerheid de richtlijnen van de PG's, die overigens al door de minister naar de Kamer zijn gestuurd.

bron: Brief aan Annelies Schutte (Tweede Kamer, fractie P.S.P.) door Jan Schuijer; 'Voorgestelde vragen zedelijkheidswetgeving en kinderporno'; 19 september 1987


Beste Frank,

Met verwijzing naar ons telefoongesprek van enkele dagen geleden, stuur ik je hierbij zoals beloofd een aantal vragen die jullie zouden kunnen stellen in het voorlopig verslag bij de Justitie-begroting. Ik hoop dat jullie deze gebruiken, want de zaak zit ons (d.w.z. het COC) behoorlijk hoog, zeker naar aanleiding van de recente ontwikkelingen rond Intermale. Misschien kunnen we het Justitie met deze vragen nog even moeilijk maken.

Hetzelfde lijstje heb ik gestuurd naar Annelies Schutte. Misschien kunnen PPR en PSP de vragen verdelen, of gezamenlijk stellen?

Alvast hartelijk dank en vriendelijke groeten,
Jan Schuijer

P.S. Hierbij ook ons commentaar op het rapport van de werkgroep en de richtlijnen

bron: Brief aan Frank van der Meijden (Tweede Kamer, fractie P.P.R.) door Jan Schuijer; 'Voorgestelde vragen zedelijkheidswetgeving en kinderporno'; 19 september 1987


Wetsvoorstel "zware zedendelicten"

Waarom wordt voor de indiening van het wetsvoorstel tot herziening van de artt. 242-249 van het wetboek van strafrecht nu geen termijn meer genoemd, terwijl vorig jaar nog indiening vr 1 januari 1987 was toegezegd? Waardoor is de vertraging veroorzaakt? Wanneer zal indiening naar verwachting alsnog plaatsvinden?

Richtlijnen PS's inzake opsporing kinderpornografie

Waarom dient bij verdenking van "ontucht" met kinderen steeds huiszoeking plaats te vinden, terwijl het rapport van de werkgroep kinderpornografie zelf aangeeft dat van "doorlekken" van privé-foto's naar een (commercieel) "kinderporno-circuit" geen sprake is? Hoe verhoudt deze richtlijn zich tot het proportionaliteitsbeginsel en tot de verzekering, gegeven in antwoord op vragen van het lid Roethof (6 oktober 1986) dat het vervolgingsbeleid inzake "ontucht" met jeugdigen beneden 16 jaar terughoudend is?

Kan het plegen van niet-strafbare handelingen het vermoeden van strafbare feiten opleveren? Zo nee, waarom dient dan een niet-strafbare handeling als het "vragen naar kinderpornografie" zelfs "als regel" tot een opsporingsonderzoek te leiden? Zo ja, waarom levert het vragen naar kinderpornografie als regel het vermoeden van een strafbaar feit op en van welk strafbare feit?

Hoe dienen de met opsporing belaste ambtenaren het "vragen naar kinderpornografie" te controleren?

In hoeveel gevallen is de afgelopen jaren tot huiszoeking overgegaan in verband met verdenking van seksuele misdrijven met minderjarigen? Welk percentage van het aantal ter kennis van de politie gekomen seksuele misdrijven met minderjarigen betrof dit?



Geachte heer van Bennekom,

Naar ik vernomen heb zal uw cliënt Don Mader, evenals Ruud Hollenkamp, worden vervolgd op verdenking van overtreding van art. 240b Sr. Omdat het hier om een proefproces gaat waarvan de uitkomst verstrekkende gevolgen kan hebben, wil ik u graag meedelen hoe wij tegen deze zaak aankijken.

Uiteraard is voor u en de "verdachten" primair van belang dat vrijspraak wordt verkregen. Juist omdat het hier om een proefproces gaat is dat echter niet het enige dat telt. Het doel van het OM is, legitimatie te verkrijgen voor de definitie die wordt gehanteerd in het rapport van de werkgroep kinderpornografie (heeft u dat? Ik kan het u anders leveren). Zou de vrijspraak enkel gebaseerd zijn op het feit dat het gewraakte materiaal niet aan genoemde definitie voldoet, dan zou deze definitie impliciet toch erkend zijn. Onzes inziens biedt alleen al de gelegen dat dat wordt voorkomen. Onzes inziens biedt alleen al de Kamerbehandeling van art. 240b daarvoor voldoende aanknopingspunten.

Een van de punten in die definitie is of een foto van een kind alleen ook onder art. 240b kan vallen. Mr. de Wit [Werkgroep Kinderpornografie] legt daar nogal de nadruk op, maar dit lijkt toch een uitgemaakte zaak. Uiteraard kan men zich in zijn eentje zeer wel seksueel gedragen.

Het gaat dus om het element "kennelijk bedoeling om een seksuele prikkeling op te wekken." Dit zou moeten blijken uit de "pose" die de afgebeelde kinderen aannemen. Natuurlijk kan dit laatste niet het criterium zijn. Het opwekken van seksuele prikkeling kan immers ook plaatsvinden door foto's die evident niet onder art. 240b vallen, zoals "gewone" naaktfoto's, of zelfs foto's van kinderen die niet eens ontkleed zijn. Wanneer iemand dergelijke foto's bundelt en hen verkoopt aan pedofielen komen ze natuurlijk niet alsnog onder de strafwet te vallen. Die discussie is al eens gevoerd. Misschien kunt u als aardige illustratie in uw pleidooi ingaan op de klacht van een Kamerlid in de jaren vijftig tegen het boekje "Honderd naakte wilden" van Hajo Ortil. Een passage hierover uit "Seks en straf" van dr. E. Brongersma (NVSH, Sex Libris, 1970) gaat hierbij. Het Kamerlid merkte op dat dit boekje alleen door homo's werd gekocht en dus aanstotelijk was; we zouden nu zeggen: gericht op seksuele prikkeling. Reeds toen bleek die vlieger niet op te gaan.

Pornoverkoop is jarenlang strafbaar geweest wegens de effecten op de gebruiker. Tegenwoordig staat juist het belang van de afgebeelde centraal: zie artikel 240b en ook het nieuwe artikel 250bis Sr. De definitie van de werkgroep draait de klok weer terug: het gaat weer om het effect op de gebruiker. De Wit slaat echter de plank mis als hij beweert (NRC, 16-9) dat in de politie discussie "het opwekken van seksuele prikkeling met behulp van afbeeldingen van kinderen als zeer verwerpelijk werd beschouwd." Het ging de Kamer juist om het seksuele misbruik van kinderen dat het vervaardigen en verspreiden van de foto's zou inhouden, niet om wat de gebruiker daar uiteindelijk mee doet.

Het verslag van diezelfde politieke discussie logenstraft de Wit's beweringen. Hierbij voeg ik enkele kopieën van de Handelingen van de Tweede Kamer waarin de uitleg van de term "seksuele gedraging" aan de orde kwam. Ik heb de voornaamste passages aangestreept. Zowel Kosto als Groenman waren er zeer uitgesproken over dat het enkele feit dat foto's voor pedofielen interessant zijn geen reden is om deze te verbieden. Mevrouw Rempt vond dat afbeeldingen van niet-ontuchtige handelingen onder de wet behoren te vallen. De minister sloot zich hierbij aan, gezien zijn reactie (blz. 715). Dat hij een goede voorspellende geest had ("Ik denk dat geen officier van justitie er aan zal beginnen") kan met iet zeggen!

Nu beweert ook de werkgroep-kinderpornografie dat enkel naakt geen seksuele handeling betreft, maar ontkracht dit vervolgens met het verhaal over "poses", waaronder natuurlijk elke pose kan vallen: het is een volkomen subjectief gegeven of een bepaalde pose gericht is op seksuele prikkeling. Het eindrapport van de commissie-Melai biedt wellicht uitkomst: de handeling zal enige substantie moeten hebben alvorens deze als "seksueel" kan worden aangewezen (passage uit het eindrapport gaat hierbij). Gegeven het feit dat naakt poseren op zich niet strafbaar is, kan toch moeilijk worden volgehouden dat het op een divan uitgestrekt liggen daar veel substantie aan toevoegt. In de zelfde lijn redeneert Remmelink (Noyon enz.) in zijn toelichting op art. 240b: de voorbeelden die hij noemt hebben die substantie bepaald wel.

Ik hoop dat u iets met deze opmerking kunt doen en dat u er inderdaad in slaagt de rechter af te houden van een uitleg van art. 240b Sr. die de strekking daarvan ver zou uitbreiden buiten de door de Kamer aangegeven grenzen, zelfs al worden Mader en Hollenkamp vrijgesproken. Zoudt u ons misschien een afschrift van uw pleitnota doen toekomen, uiteraard als de "verdachte" daartegen geen bezwaar heeft? Wij zouden dat zeer op prijs stellen.

Met vriendelijke groeten,
hoogachtend,
[handtekening]
Jan Schuijer
Bestuurscie. wetgeving,
proj.groep leeftijdsgrenzen

bron: Brief aan Mr. W. J. van Bennekom (advocaat en procureur) door Jan Schuijer (COC-Projectgroep Leeftijdsgrenzen); 22 september 1987


Geachte heer Schuijer,

Uw brief van 22 september j.l. over de Mader/Intermale-zaak heb ik met belangstelling gelezen. Sommige van de bijlagen kende ik, -andere niet.

Ik ben het geheel met u eens dat een uiterst oneigenlijk gebruik van het nieuwe art, 240b dreigt te worden gemaakt. Mijn opvattingen terzake (die zich natuurlijk voor bredere argumentatie lenen) heb ik neergelegd in een brief die ik op 29 juni j.l. aan de behandelend Officier van Justitie schreef. Copie van die brief sluit ik (ter vertrouwelijk gebruik) hierbij in.

Overigens treed ik alleen voor de fotograaf op: omdat de mogelijkheid van tegenstrijdig belang in een zaak als deze gemakkelijk zou kunnen voordoen heeft het mij van meet af aan beter geleken uitsluitend de belangen van de heer Mader te behartigen.

Te Uwer informatie verder nog dit: indien het toch tot dagvaarding van de heer Mader mocht komen. Het kan m.i. in zijn zaak nog een hele tijd duren alvorens het eindoordeel van de rechter bekend is, te meer nu alle betrokkenen het er over eens zijn dat de zaak uiteindelijk aan de Hoge Raad wordt voorgelegd.

Hoogachtend,
[handtekening]
Mr W.J. van Bennekom

bron: Brief Mr W.J. van Bennekom aan Jan Schuijer; 24 september 1987